Oernatuur of nieuwe wildernis?

Is er nog oernatuur in Nederland? Natuur die nog echt ongerept is, is er helaas niet meer in ons land. Met de kap van het Beekbergerwoud bij Apeldoorn in 1871, verdween het laatste, nog tamelijk ongeschonden restant oerbos dat daar al onafgebroken 8.000 jaar lang had gestaan. Echter, sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn er her en der in het land, nieuwe wildernissen ontstaan. Organisaties als Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en sommige provinciale Landschappen stopten in een aantal natuurgebieden met het actief beheren van de natuur. De natuur mocht daar weer haar eigen gang gaan. In dezelfde periode zijn ook de eerste 60 officiële bosreservaten (zie onderaan deze webpagina) ingesteld.

Ook door teruggeven van landbouwgrond aan de natuur is er, met name in het rivierengebied, zelfredzame natuur bij gekomen. In deze nieuwe natuur hebben natuurlijke processen zoals storm, begrazing, overstromingen, het afsterven van bomen en het vergaan van dode dieren, weer de ruimte gekregen. Vooral in het rivierengebied zijn hiermee spectaculaire resultaten geboekt; de voormalige landbouwgronden op rijke kleigrond ontwikkelen zich zeer snel tot prachtige, nieuwe wildernisnatuur. Mede hierdoor zijn uit ons land verdwenen soorten als bever en zeearend weer teruggekeerd.

© Stefan Pasma, Ongerepte-Natuur.nl
Een hardhoutooibos in het rivierengebied. Gelderse Poort bij Nijmegen.

Wildernisgebieden in Nederland

Om natuurgebieden met een wildernisachtig karakter en nieuwe wildernissen op deze site te kunnen vermelden als wildernisgebied, worden niet al te strikte criteria gehanteerd. We leven tenslotte in een deels op de zee veroverd en dus kunstmatig land. Omdat ons land vrij dichtbevolkt is, merk je bijna overal wel iets van menselijke activiteit. Verstorende omgevingsinvloeden van verkeerslawaai, luchtverontreiniging en een te lage grondwaterstand zijn voorbeelden van negatieve factoren die niet altijd te vermijden zijn. Voorlopig zullen ze dan ook als een gegeven moeten worden beschouwd. Het belangrijkste kenmerk van een wildernisgebied is dat de beheerders van het gebied er naar streven om de natuur zoveel mogelijk haar eigen gang te laten gaan en dus zo min mogelijk in te grijpen. Indien bijvoorbeeld een zeldzame soort uit een wildernisgebied dreigt te verdwijnen, wordt er niet ingegrepen door de beheerders. Een voorbeeld: het zeldzame, insectenetende, vetblad dreigt te verdwijnen uit een natuurgebied. In een wildernisgebied wordt niet getuinierd dus het vetblad zal waarschijnlijk verdwijnen. Kortom: de natuurlijke processen hun gang laten gaan (procesnatuur) is in dergelijke gebieden belangrijker dan het behoud van bepaalde dier- of plantensoorten.

Eenmalige ingrepen in wildernisgebied

Beheermaatregelen als maaien, plaggen en aanplant vinden niet plaats in een wildernisgebied. Daarentegen kunnen grootschalige, eenmalige ingrepen weinig kwaad zolang ze maar plaatsvinden in de startfase van een wildernisgebied. Denk hierbij aan ingrijpende maatregelen als het omtrekken van bomen om open plekken in een voormalig productiebos te maken of het opnieuw uitgraven van een oude nevengeul van een rivier. Ook kunnen er bepaalde dier- en plantensoorten worden geïntroduceerd die niet op eigen kracht kunnen komen, of pas na een hele lange tijd.

Begrazing met wilde paarden en runderen

Veel wildernisgebieden worden begraasd door nauwe verwanten van verdwenen wilde paarden en runderen, zoals konikpaarden, Exmoorpony’s, Schotse Hooglanders, Galloways en Rode Geuzen. Begrazing door deze zelfredzame dieren is een groot pluspunt omdat door het gegraas van de dieren er meer variatie in een natuurgebied ontstaat. Door het gegraas van de grote grazers wordt een halfopen landschap gevormd van grazige weiden, doornige zoomvegetaties en stukken bos. Een dergelijk landschap levert een zeer diverse natuur op: rijk aan wilde planten, vlinders en vogels. Een belangrijke voorwaarde voor begrazing is wel dat de kuddes het hele jaar door, zomer en winter, in het gebied blijven en dat ze dus vrijwel zonder hulp van de mens kunnen leven. In kleine gebieden zoals bijvoorbeeld in De Staart (Zuid-Holland), wordt de omvang van de daar veel kleinere kuddes actief bijgestuurd door de beheerders. In grotere gebieden daarentegen, zoals de Veluwezoom, bepaald met name het voedselaanbod het aantal grote grazers dat er kan leven. Vooral in periodes dat er weinig voedsel voorhanden is, zoals aan het einde van de winter, treedt er vanzelf natuurlijke selectie op. Op zo’n moment zullen vooral de zwakkere dieren, die weinig reserves over hebben, het loodje leggen.

Nieuwsgierig geworden? Bekijk het overzicht met wildernisgebieden in Nederland. Wandelen in gebieden met grote grazers kan prima, mits je je aan een paar regels houdt; zie Pas op!

© Stefan Pasma, Ongerepte-Natuur.nl
Kuddes zelfredzame runderen leven jaarrond in het Nationaal Park Drents-Friese Wold

Bosreservaten

Een bosreservaat is een bos waar geen hout wordt geoogst of bosbeheer plaatsvindt en waar de natuur dus haar eigen gang mag gaan. Er zijn in Nederland momenteel 81 bosreservaten (stand begin 2020). Het grootste aantal, 60 bosreservaten, maakt deel uit van het landelijke Programma Bosreservaten. Daarnaast zijn er buiten dit landelijke programma nog 21 ‘niet-officiële’ bosreservaten in Gelderland (acht van Het Geldersch Landschap, tien bosreservaten op het Kroondomein het Loo en twee bosreservaten van de gemeente Arnhem) en één bosreservaat in de provincie Utrecht, Noordhout, van het Utrechts Landschap.

© Stefan Pasma, Ongerepte-Natuur.nl
Bosreservaat Noordhout, Utrechtse Heuvelrug

Hier nog een filmpje (circa 3 minuten) van Staatsbosbeheer in Drenthe dat mooi de verschillen tussen productiebos en een natuurbos laat zien: